Uitgangspunten
De rechter heeft, net als ieder ander, bepaalde opvattingen over maatschappelijke, politieke en ethische
kwesties, die zijn verdere oordelen kunnen beïnvloeden. Deze opvattingen kunnen deels samenhangen met:
geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst,
het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status (vergelijk artikel 14 van
het EVRM). Het bestaan van deze opvattingen is onvermijdelijk en hangt nauw samen met de vrij aanzienlijke
mate van maatschappelijke betrokkenheid en geïnteresseerdheid die noodzakelijk is om als rechter te kunnen
functioneren.
Een rechter die zich van zijn persoonlijke opvattingen bewust is, zal in het algemeen in staat moeten zijn
zich hiervan zodanig te distantiëren dat deze opvattingen zijn onafhankelijkheid en onpartijdigheid,
de essentialia voor een eerlijk proces, niet in de weg staan.
Het is de rechter zelf die in elke door hem te behandelen zaak waakt over zijn onpartijdigheid. Daarnaast
hebben de gerechten middelen ter bevordering van een onpartijdige rechtspraak, zoals het indelen in kamers
en het toedelen van zaken.
De rechter zorgt er voor ter zitting blijk te geven van een onpartijdige houding.