Inleiding en kader
In een rechtsstaat heeft een ieder recht op toegang tot een onpartijdige rechter.
De onpartijdigheid van de rechter moet in iedere situatie boven elke twijfel verheven zijn.
Het optreden van de rechter behoort deze eigenschap altijd te tonen.
Tegelijkertijd geldt dat niemand vrij is van persoonlijke opvattingen over bepaalde maatschappelijke,
politieke en ethische kwesties. Dat geldt, nu van een rechter een behoorlijke mate van maatschappelijke
betrokkenheid wordt verwacht, ook zeker voor de rechter. Zijn opdracht om onpartijdig te oordelen betekent
dat hij zich van zijn persoonlijke opvattingen - met inbegrip van sympathieën en antipathieën - bewust is
en tracht daarvan bij zijn professionele oordeel afstand te nemen.
Rechterlijk gedrag wordt op verschillende manieren getoetst. Een juridische toetsing is mogelijk door het
aanwenden van rechtsmiddelen tegen rechterlijke uitspraken. Daarnaast bestaan er bij de gerechten interne
klachtenregelingen betreffende het optreden van de rechter ter zitting. Ook kan het functioneren van een
rechter onderwerp van gesprek zijn in het kader van personeelsbeleid. Voorts is er nog in het kader van
een externe klachtenregeling de wettelijke toetsing door de Hoge Raad, die een rechter onder zeer bepaalde
omstandigheden kan ontslaan.
In deze leidraad gaat het alleen om toetsing van de (on)partijdigheid van de rechter. Voor het begrip
onpartijdigheid is in deze leidraad aangesloten bij hetgeen daaromtrent is overwogen in de uitspraken
van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 24 mei 1989, NJ 1990, 627 (Hauschildt) en
de Hoge Raad van 18 november 1997, NJ 1998, 244. Verder wordt verwezen naar de hierna gegeven omschrijving
van onpartijdigheid.
Toetsing van de onpartijdigheid van een bepaalde rechter kan leiden tot het niet behandelen van een zaak
door deze rechter. Als deze toetsing door de rechter zelf gebeurt, kan dit leiden tot terugtrekking of een
verzoek om zich te mogen verschonen. Bij toetsing door andere rechters op verzoek van een belanghebbende
gaat het om wraking. Aangezien terugtrekking veruit het meest voorkomt en verschoning en wraking
uitzonderingen zijn, is deze leidraad met name op terugtrekking gericht.
Deze leidraad beoogt - naast relevante bepalingen in de Grondwet, het Europees Verdrag tot bescherming van
de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), de Wet op de rechterlijke organisatie, de Wet
rechtspositie rechterlijke ambtenaren, de jurisprudentie van de Hoge Raad en het EHRM en de literatuur -
houvast te verschaffen aan de rechter. De onpartijdigheid en integriteit van de rechtsprekende macht
worden echter niet zozeer gewaarborgd door gedetailleerde regelgeving, maar vooral door het bewustzijn
binnen de beroepsgroep. Deze leidraad bevat daarom geen sluitende regels voor alle gevallen, maar dient
vooral om dit bewustzijn van onpartijdigheid te bevorderen.
Aanleiding voor het opstellen van deze leidraad zijn de discussie die er binnen de rechtsprekende macht
omtrent integriteit, nevenfuncties en gedragscodes is ontstaan, het symposium “Voorkoming van schijn van
partijdigheid” te Arnhem in 2000 en het op dit symposium gevolgde onderzoeksrapport van het
Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van 2002 “Schijn van partijdigheid rechters”
(WODC 2002, 199).
Overigens wordt hierbij nog opgemerkt dat het onderzoeksrapport van het WODC als een van de meest
aangevoerde redenen om te wraken klachten over “bejegening of behandeling van de zaak” noemt. Naast onder
meer (vermeende) procedurefouten en de weigering een getuige te horen, gaat het in dat onderzoek ook om
het optreden van de rechter ter zitting. Deze leidraad kan hiervoor onvoldoende aanknopingspunten bieden.
Wat dat betreft ligt er een taak bij de gerechten zelf. Intervisie kan daarbij een belangrijk hulpmiddel
zijn.
Bij het opstellen van de leidraad is gebruik gemaakt van de bij diverse gerechten reeds bestaande
verschoningscodes, gedragsregels van het Openbaar Ministerie, advocatuur en notariaat. Daarnaast is
kennis genomen van “The Bangalore Principles of Judicial Conduct” (vastgesteld op 25 en 26 november 2002),
van de draft opinion “on the principles and rules governing judges” van de Consultative Council of
European Judges (CCJE) (niet gepubliceerde versie van 14 november 2002) en de Aanbeveling inzake de
afhandeling wrakingverzoeken (gepubliceerd in Trema 2001, nr. 4, p. 184 e.v).
Aldus vastgesteld in maart 2004 door de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak en de presidentenvergadering.
De leidraad wordt twee jaar na de ingangsdatum daarvan geëvalueerd.