Doelstelling van de leidraad en de interne en externe werking ervan
Deze leidraad richt zich in eerste instantie tot de individuele rechter. De leidraad bestaat niet zozeer
uit een aantal limitatief opgesomde, en overigens niet allesomvattende aanbevelingen, maar geeft met name
een kader om te komen tot een gefundeerd oordeel in het individuele geval. De aanbevelingen 9 en 10
richten zich tot de gerechten om verdere discussie over het onderwerp te bevorderen.
De leidraad bevat aanbevelingen die moeten aanzetten tot permanente oplettendheid van rechter en gerecht
om de rechterlijke onpartijdigheid te bewaken. Hij beoogt de rechter steeds te noodzaken zich af te
vragen of zijn optreden ook daadwerkelijk bij de rechtzoekende en de samenleving het beeld van de
onpartijdige rechter oproept. De leidraad streeft ernaar het onderkennen van dilemma’s te bevorderen,
dient uitgangspunt te zijn van een éducation permanente en moet een stimulans zijn voor bewustzijn van
integriteit. Kortom, de leidraad is een onderdeel van het permanente aandachtsgebied betreffende de
verbetering van de kwaliteit van de rechtspraak.
Extern beoogt de leidraad de samenleving inzicht geven in het kader waarbinnen de rechter zijn afwegingen
maakt en dient hij als externe verantwoording van rechterlijk gedrag. Als de rechter constant alert is
op zijn specifieke staatsrechtelijke taak als onpartijdig en onafhankelijk overheidsrechter, kan de
samenleving het vertrouwen hebben dat elke burger toegang heeft tot eerlijke procesvoering.