Aanbeveling 8: Eerdere bemoeienis met een zaak of met partijen
De rechter dient zich er van bewust te zijn dat zijn onpartijdigheid ter discussie kan komen te staan
vanwege zijn eerdere bemoeienis als rechter met een bepaalde zaak. Voorts kan de onpartijdigheid van de
rechter worden beïnvloed indien hij herhaaldelijk zaken van dezelfde procespartij(en) behandelt.
Toelichting
Als uitgangspunt geldt dat de enkele omstandigheid dat een rechter al eerder bemoeienis heeft gehad met
een zaak, onvoldoende is om partijdigheid aan te nemen, maar bijkomende omstandigheden kunnen dit anders
maken (HR 15 februari 2002, LJN AD4004 en EHRM 24 mei 1989, NJ 1990, 627 (Hauschildt).
Gelet op ABRS 17 februari 1998, JB 1998, 129 dient onder meer gekeken te worden naar het karakter en
toepassingsbereik van de verschillende procedures. De ABRS acht het in dat verband niet bezwaarlijk dat
een rechter meebeslist op een herzieningsverzoek gericht tegen de eerder mede door hemzelf gewezen
uitspraak. Voorts acht de ABRS (16 maart 1999, JB 1999, 149) de rechterlijke onpartijdigheid niet
geschaad indien eenzelfde rechter zowel in de bezwaarfase als in de beroepsfase een verzoek om voorlopige
voorziening behandelt. Dat een rechter die eerder uitspraak heeft gedaan op een verzoek om voorlopige
voorziening vervolgens uitspraak doet in de bodemprocedure wordt door de ABRS in de uitspraak van 22
oktober 1997, JB 1998, 260 echter ongewenst geacht.
De absolute competentieverdeling brengt mee dat sommige gerechten vaak te maken hebben met dezelfde
procespartijen. De tweede zin van deze aanbeveling brengt uiteraard niet mee dat deze zaken niet (meer)
behandeld kunnen worden.