Aanbeveling 5: De rechter-plaatsvervanger
Voor de rechter-plaatsvervanger zijn de aanbevelingen 1, 2, 3, 4, 7 en 8 eveneens van toepassing.
De rechter-plaatsvervanger draagt er zorg voor geen zaken te behandelen waarbij hij uit hoofde van zijn
hoofdfunctie betrokken is (geweest).
De rechter-plaatsvervanger die tevens advocaat is zorgt er voor geen zaken te behandelen waarin één van
zijn kantoorgenoten als zodanig optreedt dan wel heeft opgetreden.
De rechter-plaatsvervanger die tevens officier van justitie is, is niet werkzaam in de strafsector van de
rechtbank waar zijn parket is gevestigd. Hij draagt er bovendien zorg voor geen zaken van het eigen parket
te behandelen die in een andere sector van de rechtbank dienen.
Toelichting
Met deze aanbeveling wordt beoogd partijdigheid van een rechter-plaatsvervanger door eerdere of
gelijktijdige bemoeienis met een bepaalde zaak vanuit de hoofdfunctie te voorkomen.
De indeling van rechters in de sectoren, en daarmee ook de indeling in een sector van de
rechter-plaatsvervanger tevens officier van justitie, is uiteraard een zaak van het gerechtsbestuur.
Uit een oogpunt van overzichtelijkheid is echter besloten dit punt in deze aanbeveling te regelen en niet
in de aanbevelingen 9 en 10 die betrekking hebben op de verantwoordelijkheid van de gerechten.
Het begrip kantoorgenoten in de derde zin dient ruim te worden opgevat en omvat ook collega’s van andere
vestigingen. Niet ontkend kan immers worden dat de rechter-plaatsvervanger die advocaat is, belang heeft
bij het handelen door of namens het advocatenkantoor waar hij zijn hoofdfunctie heeft. De derde zin heeft
alleen betrekking op de rechter-plaatsvervanger die tevens advocaat is. Voor rechters-plaatsvervangers
werkzaam bij de rijksoverheid of een groot bedrijf geldt deze zin niet. Voor hen geldt uiteraard wel de
hoofdregel bij de uitgangspunten, inhoudende dat het de rechter zelf is die in elke door hem te behandelen
zaak waakt over zijn onpartijdigheid. Daarnaast geldt vanzelfsprekend aanbeveling 2.
Verwezen wordt nog naar HR 30 juni 2000, NJ 2001, 316 en HR van 16 november 1999, NJ 2000, 335, die
betrekking hebben op respectievelijk de rechter-plaatsvervanger tevens advocaat en de
rechter-plaatsvervanger tevens officier van justitie.
Deze aanbeveling geldt ook voor de rechter-plaatsvervanger in opleiding.