1. Inleiding
1.1 Karakter gedragsregels
Deze regels brengen normen onder woorden, die naar de heersende opvatting in de kring der advocaten behoren te worden inachtgenomen bij de uitoefening van het beroep van advocaat.
Zij vormen niet de vastlegging van het voor de advocaten geldende tuchtrecht.
De inhoud van dat tuchtrecht wordt vastgesteld door de tuchtrechter op basis van de advocateneed, verordeningen en de drie regels genoemd in artikel 46 van de Advocatenwet, kort weer te geven als:
- zorg voor de behartiging der toevertrouwde belangen;
- naleving van de verordeningen der Nederlandse Orde;
- handelen overeenkomstig hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt.
Deze gedragsregels kunnen worden gezien als een uitwerking van de eerste en vooral ook van de ruim geformuleerde derde regel, in dat artikel genoemd.
Zij zijn niet bindend in de zin, waarin de regels van de door de Nederlandse Orde van Advocaten vastgestelde verordeningen bindend zijn.
Zij zijn bedoeld als richtlijn voor de advocaat voor zijn handelen bij de uitoefening van de praktijk.
Zij kunnen tevens dienen als richtlijn voor de tuchtrechter, al binden zij deze niet zoals het Hof van Discipline meermalen heeft beslist.
1.2 Taak en functie van de advocaat
De hoofdtaak van de advocaat is het verlenen van advies en bijstand aan individuele cliënten of aan groepen cliënten wier belangen parallel lopen. Bij de belangenbehartiging vertegenwoordigt hij een partijstandpunt.
De principiële partijdigheid van de advocaat verdraagt zich niet met de behartiging van belangen die met die van zijn cliënt strijdig zijn. De advocaat onthoudt zich dus van de behartiging van strijdige belangen. De advocaat dient het belang van zijn cliënt alleen dan goed, wanneer hij zich bij de behandeling der zaken slechts door dat belang, en niet door enig eigen belang, laat leiden. Ook door andere belangen moet de advocaat niet worden belemmerd, respectievelijk zich laten leiden bij de vervulling van deze hoofdtaak. Hij dient deze taak in onafhankelijkheid te verrichten. Daarbij past bijvoorbeeld niet het toekennen van provisie aan tussenpersonen of andere derden voor het aanbrengen van opdrachten of het maken van afspraken met anderen dan de eigen cliënt over de wijze waarop de zaken zullen worden behandeld.
De advocaat is bij uitstek vertrouwensman van zijn cliënt. Hij kan zijn taak slechts goed verrichten wanneer de cliënt hem alle mededelingen doet die voor de beoordeling en de behandeling van de zaak van belang zijn. Dit kan van de cliënt alleen worden verlangd wanneer hij dat kan doen zonder daardoor enig risico te lopen.
In verband daarmee moet de advocaat met de grootst mogelijke zorgvuldigheid zijn geheimhoudingsplicht in acht nemen en gebruik maken van het hem toekomende verschoningsrecht.
Een deugdelijke en zorgvuldige behandeling van de zaken is een eerste plicht van de advocaat; deze omvat tevens de plicht om de daarvoor benodigde kennis te vergaren en te onderhouden en om, wanneer hij te maken krijgt met een zaak waarvoor hem kennis en/of kunde ontbreken, zorg te dragen voor de nodige assistentie dan wel de cliënt te verwijzen naar een collega die wel aan de vereisten voldoet.
De advocaat wordt ook buiten het hem toegekende procesmonopolie door de maatschappij erkend als iemand die een wezenlijke rol vervult in de rechtsbedeling. In verband daarmee is hem een zekere positie en zijn hem zekere voorrechten toegekend. Van deze positie dient hij op een zodanige wijze gebruik te maken, dat zij een goede rechtsbedeling bevordert. Bij die goede rechtsbedeling zijn niet alleen de belangen van de cliënt betrokken, doch ook het openbaar belang. Een goede beroepsuitoefening is een openbaar belang. Bij de voorbereiding van de wijziging der Advocatenwet in 1984 is dat uitdrukkelijk bevestigd. Hiermee correspondeert, dat de advocaat van de hem toegekende positie en voorrechten op de juiste wijze gebruik maakt, niet alleen, en zelfs niet in de eerste plaats, omdat die positie en die voorrechten door een onjuist gebruik in gevaar kunnen worden gebracht, doch omdat die een maatschappelijke opdracht vertegenwoordigen.
Elementen van de bedoelde positie zijn, dat de advocaat een grotere en vrijere toegang heeft tot personen en gegevens dan de gemiddelde burger, dat hij het recht heeft om te spreken in situaties waarin anderen dat recht kan worden ontnomen en dat hem een grote vrijheid is toegekend bij de presentatie van zijn argumenten. Dat schept, in verband met het openbaar belang bij een goede beroepsuitoefening, voor hem de plicht om zich in woord en geschrift niet onnodig grievend uit te laten, en rekening te houden met de gerechtvaardigde belangen van wederpartij en derden. Hierbij dient de advocaat te beseffen, dat de wijze waarop hij optreedt mede bepalend is voor het oordeel over de advocaat en diens taakvervulling. Hij onthoudt zich van handelingen waardoor het vertrouwen in de advocaat als zodanig wordt geschaad. Hij dient ernaar te streven dat hij, en daarmee de advocaat in het algemeen, wordt aangezien als iemand wiens oordeel gezag heeft en met wie zaken kunnen worden gedaan. Zo mag hij zich niet van oneigenlijke middelen bedienen, zoals het aankondigen of nemen van stappen die niet in verhouding staan tot het beoogde doel.
De ervaring heeft geleerd dat een behoorlijke onderlinge verhouding tussen de advocaten in het algemeen de goede behartiging van de aan hen toevertrouwde belangen bevordert. Zonder de hun toevertrouwde belangen en het openbaar belang uit het oog te verliezen behoren de advocaten dus te streven naar een verhouding van onderlinge welwillendheid en vertrouwen; daarbij past ook, dat zij zich ook over elkaar niet in onheuse of krenkende termen uitlaten. Het `aftroggelen´ van cliënten verdraagt zich evenmin met deze verplichting.
1.3 Conflict van plichten
Bij het inachtnemen van het vorenstaande kan de advocaat worden geconfronteerd met een conflict van plichten. Hij zal dit met zorgvuldigheid moeten oplossen, in het oog houdende dat weliswaar behartiging van de hem toevertrouwde belangen van zijn cliënt de eerste taak is, doch dat hij deze taak dient te verrichten in overeenstemming met het openbaar belang bij een behoorlijke beroepsuitoefening, waarvoor een enkele maal zelfs het belang van zijn cliënt zal moeten wijken.
Hulp bij het oplossen van deze conflicten zal de advocaat kunnen vinden in de vorm van advies van de deken. Daarom bepalen de gedragsregels in die gevallen, waarin een dergelijk conflict zich gemakkelijk kan voordoen, dat het advies van de deken behoort te worden gevraagd. Het spreekt vanzelf dat de advocaat vrij is, en er ook goed aan doet, om ook buiten die gevallen een dergelijk advies te vragen wanneer hij moeite heeft met het bepalen van zijn houding. Dat advies vraagt hij aan de deken onder wie hij ressorteert, ook als het gaat om een zaak die zich afspeelt in een ander arrondissement.
1.4 Specifieke gedragsregels
De hierna volgende gedragsregels kunnen worden gezien als uitwerking van de hiervoor geformuleerde normen en behoren, wanneer in enige situatie onzekerheid bestaat omtrent de wijze waarop zij moeten worden gehanteerd, aan die normen te worden getoetst. In de formulering zijn enige accenten gewijzigd ten opzichte van de voorgaande gedragsregels 1980, die weer waren gebaseerd op de ereregelen van 1968. De strekking van die regelingen is gehandhaafd. Voor grondige herziening was ondanks snelle maatschappelijke en branchespecifieke ontwikkelingen, nieuwe verordeningen enz. kennelijk geen aanleiding. Extra aandacht werd besteed aan groepering van de regels volgens de diverse te onderscheiden en soms zelfs conflicterende belangen die de advocaat dient te behartigen, zoals dat in het vorenstaande is uiteengezet.